
Moerkapelse wekt Joods meisje Edith in boek tot leven
Historie 1.511 keer gelezenMoerkapelle/Gouda - Schrijver Lianne Biemond ziet pleegkinderen komen en gaan - en soms ook weer terugkomen. Thuis in Moerkapelle ving en vangt ze binnen haar gezin vele kinderen op. "Ze weten niet waar ze terechtkomen en voelen zich in het begin ontheemd." Op die ervaring kon ze een beroep doen bij het schrijven van haar nieuwste kinderboek over de lotgevallen van het Joodse meisje Edith. "Ik kon me zo goed voorstellen hoe desolaat dat meisje zich gevoeld moet hebben."
Door Judith Rikken
Met haar hand langs haar hoofd zoekend naar het beentje van pop Bella. Zo laat Biemond de negenjarige Edith Beek twee keer wakker worden in een bed dat niet het hare is. Zónder haar geliefde pop. Over de ontheemding en het lot van het kind schreef de Moerkapelse het boek ‘Mijn naam is Edith’. Ter gelegenheid van 80 jaar vrijheid is in Museum Gouda over hetzelfde meisje een kleine tentoonstelling.
Edith Roseij Beek werd 91 jaar geleden op 21 april geboren in het Noord-Brabantse Oss, woonde zeven jaar in Gouda en werd in 1943 op negenjarige leeftijd vermoord in Auschwitz. Ze was de dochter van huisarts Arnold Beek, die in 1935 met zijn gezin naar Gouda kwam, waar hij praktijk hield aan de Lange Tiendeweg 54. Het huis is er nog. Ervóór, tussen de stoeptegels, ligt sinds veertien jaar een Stolperstein - een met messing bekleed gedenksteentje - voor Edith.
In zorgcentrum Beth-San in Moerkapelle, waar Lianne Biemond werkt, hoorde zij voor het eerst over Edith Beek. "Ik ontmoette daar apotheekmedewerker Teus den Otter uit Gouda. Hij verzorgt Stolpersteine-wandelingen en vroeg me of ik een boek over Edith zou willen schrijven. Die avond kreeg ik de informatie over het meisje in mijn mail en werd ik gegrepen door haar verhaal."
Biemond dook de levensgeschiedenis van Edith Roseij Beek in en componeerde met feiten en fictie een verhaal waarvan het einde vanaf het begin af aan bekend is. "Ik heb er af en toe letterlijk wakker van gelegen en moest het manuscript soms wegleggen en even aan een ander onschuldig kinderboekje verder werken."
Ze schreef ‘Mijn naam is Edith’ niet alleen op basis van gegevens die al bekend waren en brieven van Edith die onverwacht beschikbaar kwamen, maar volgde ook zelf haar pad. Ze ging onder andere naar de huizen waar de familie woonde, naar het onderduikadres in Zwammerdam, het kindertehuis in de Haagse Billitonstraat waar Edith na haar arrestatie verbleef, concentratiekamp Westerbork in Drenthe en vernietigingskamp Auschwitz in Polen. "Met mijn dochter Marlies, die de illustraties in het boek heeft gemaakt, ben ik in de auto gestapt om ook die laatste plek te bezoeken. Het maakte ontzettend veel indruk. Wat moet ik nou tekenen?, vroeg Marlies me. Eenzaamheid, zei ik. Want eenzaam is hoe het kind zich gevoeld moet hebben na zo te zijn losgescheurd van iedereen die ze kende en zulke bizarre dingen in haar eentje te hebben moeten meemaken."
Biemond beschrijft hoe Edith in 1939 voor Chanoeka de pop kreeg waarnaar ze al zo vaak verlangend had staan kijken voor de etalage van de boekwinkel tegenover haar huis aan de Lange Tiendeweg. Edith droeg de pop bij zich toen ze in 1942 midden in de nacht bij een vreemde man achterop de fiets moest stappen om naar een onderduikadres in Zwammerdam te worden gebracht.
Het is die gebeurtenis die Biemond als eerste aan het papier toevertrouwde. "Ik schrijf in scènes, en dit was voor mij een logisch moment om het schrijfproces te beginnen." In het boek heeft ze de scène een plek gegeven na ruim zestig bladzijden waarin ze het zorgeloze leven van de familie Beek vóór de oorlog beschrijft. Vanaf 1940 gebeuren er steeds meer zorgwekkende en ingrijpende dingen: soldaten marcheren voor hun huis langs, vader mag alleen nog maar Joodse patiënten hebben, het gezin moet verhuizen, Edith en haar broer worden van de Casimirschool gestuurd. En dan is daar het moment dat Edith moet onderduiken. In Zwammerdam wordt ze liefdevol opgevangen door een predikante. Haar vier jaar oudere broer Johan wordt ergens anders ondergebracht, apart van hun ouders die ook onderduiken.
Vader, moeder en Johan hebben de oorlog overleefd. Pop Bella ook. Die bleef, nadat Edith was verraden, achter in het huis in Zwammerdam en is nu te zien in Museum Gouda.
Om het verhaal behapbaarder te maken voor kinderen vanaf tien jaar, schreef Biemond ‘er mensen bij’. "De jongen Bert bijvoorbeeld, die met Edith op transport wordt gezet. Zo werd het verhaal warmer, kan er ondanks alles af en toe geglimlacht worden en is er soms troost te vinden." Zoals op het eind, wanneer in het gebouw met zware metalen deuren en douchekoppen aan de muren, het licht uitgaat. ‘Een hand vindt de hare. Bert! Lieve Bert.’





















