Afbeelding
Kronieken van een ambtenaar

Collegialiteit

Column 120 keer gelezen

Er zijn van die momenten waarop je als collega voor een moreel dilemma komt te staan. Doe je het juiste, of doe je het collegiale? In ons geval won meestal het collegiale. Al scheelde het soms niet veel. 

Joop en ik kregen op kantoor een nieuwe collega. Een jonge vent, Marco geheten, die al wat ervaring had en dus meteen mee kon draaien. In die tijd - ja jongelui, er was ooit zo´n tijd - waren huizen nog gewoon verkrijgbaar. Geen loting, geen wachtrij van twaalf jaar, geen overbieden met een nier erbij. Marco had bij zijn sollicitatie slim bedongen dat hij snel woonruimte zou krijgen. En jawel: een gezellig tweepersoons appartementje aan de Meerkoet. Netjes geregeld. Marco was vrijgezel en moest zijn draai nog vinden in het dorp. Gelukkig woonde er nog een vrijgezelle collega: Bert. Dat bleek een mooie combinatie. Samen trokken ze er regelmatig op uit om vermaak buiten het dorp te zoeken.

Op een doordeweekse avond stond ik, zoals wel vaker, achter de bar van dorpshuis Swanla. Vrijwilligerswerk. Gezellig druk, beetje kletsen, beetje tappen. Tegen tienen zag ik Marco en Bert komen binnenschuiven. Ze hadden al een avond stappen achter de rug en besloten Swanla nog even te gebruiken als officiële ‘afzakkende instantie’. Eerst bier. Daarna iets sterkers. Daarna nóg iets sterkers ‘om het bier weg te spoelen’. Het volume steeg, de motoriek daalde.

Tegen middernacht keek ik de heren eens streng aan en sprak de legendarische woorden: “Nou mannen, het is mooi geweest. Morgen gewoon weer werken.” Na nog één allerlaatste afzakkertje - dat er natuurlijk twee bleken - waggelden ze de nacht in. “Morgenochtend op tijd!”, riep ik nog. Dat was achteraf iets te optimistisch. De volgende ochtend zat ik fris en fruitig op kantoor. Joop ook. De stoel tegenover ons bleef leeg. Marco schitterde door afwezigheid. Geen telefoontje. Geen ziekmelding. Alleen stilte… en vermoedelijk hoofdpijn van olympisch niveau. Joop en ik keken elkaar aan. We namen een besluit waarvoor je tegenwoordig waarschijnlijk drie HR-medewerkers, twee vertrouwenspersonen en een integriteitscommissie op je nek zou krijgen: we dekten hem. Computer aan. Papieren op bureau. Pen schuin erbij. Alsof hij nét koffie halen was. Toen de gemeentesecretaris binnenliep keek hij vluchtig rond en stelde geen enkele vraag. Rond elf uur belde Marco eindelijk. Ik zei: “Kom gewoon binnen alsof er niks aan de hand is.” Vijftien minuten later strompelde hij met een kater van monumentale omvang het kantoor binnen. Niemand die iets merkte. Nou ja… behalve wij.

Twee jaar later bij zijn afscheid verscheen hij met een fles wodka. Een late dankbetuiging. De volgende dag had ik een kater. Maar gelukkig was het toen zaterdag...

(de kronieken zijn van de hand van Hans Sytsema en gebaseerd op ware gebeurtenissen; namen van burgers en ambtenaren zijn gefingeerd)

Uit de krant