Afbeelding

Brood en spelen

Column

Van flexibele werktijden heeft Nederland in de jaren zeventig nog nooit gehoord. Stipt van twaalf tot één is het lunchpauze. Het gros van mijn collega’s luncht thuis, maar een deel – onder wie ik – eet op kantoor, uit een broodtrommel. Dat eten op kantoor is natuurlijk nogal saai en daarom wordt er gezocht naar ander vermaak.

Bij mooi weer maken we een ommetje en verkennen zo ons werkgebied. Op een regenachtige dag ontdekt één van de overblijvers dat ik een tennistas bij me heb waarin uiteraard ook enkele tennisballen zitten. Met een tennisbal gaan we naar de lange gang die het oude gemeentehuis verbindt met het noodgebouw. We gooien wat over en hebben de grootste lol. Als we dit de volgende dagen herhalen, sluiten zich steeds meer collega’s aan. Er ontwikkelt zich een spel. De bal wordt naar de andere kant gegooid, de tegenpartij moet de bal dan tegenhouden en als dat niet lukt is het een punt. Hoe harder hoe leuker. Soms gaat de bal met een ontzettende knal tegen een achterliggende ruit aan, maar die blijkt daar prima tegen bestand. 

Het spel wordt zo populair dat collega’s soms eerder op werk verschijnen om nog even mee te doen. Soms is het al lang en breed één uur geweest, als we terugkeren naar onze werkplekken. 

Langzaam verandert het spel: op een zekere dinsdag wordt het balletje niet meer gegooid, maar getrapt. En dat gaat steeds harder. Het is één uur, maar omdat de gemeentesecretaris vanwege een lange collegevergadering later was weggegaan (en dus later zal terugkomen), gaan we nog iets langer door. 

Collega De Vries trapt de bal op volle kracht en raakt hem perfect. Tegenhouden lukt mij niet en de bal schiet langs mij heen. We horen een knal. Geen doffe, maar een schelle, direct gevolgd door het geluid van rinkelend glas. De grote ruit ligt aan diggelen. Van schrik springen we bij de ruit weg en exact op dat moment komt de gemeentesecretaris binnen: iedereen rent weg en ik duik het papierhok aan het einde van de gang in. De gemeentesecretaris is mij blijkbaar gevolgd want hij loopt het hok binnen. Als ik hem voor mij zie staan, zakt de grond onder mijn voeten weg. Hij vraagt heel rustig: “Wat is er aan de hand Hans?” Ik biecht op wat er gebeurd is en hij zegt niet meer dan “oh, juist ja”, draait zich om en loopt weg. 

De ruit werd vervangen op kosten van de belastingbetaler en kort daarna nam ik de tafeltennistafel mee die ik thuis had staan. Toch wat veiliger.